Talent of techniek?

Oct 02 2015

Goede sprekers steken veel tijd en energie in hun presentaties. Maar niet iedereen is daar even openhartig over. Dat is jammer. Want zo blijft het misverstand bestaan dat er op een goede dag ook gewoon ‘I have a dream’ of ‘Yes, we can’ uit jouw mond rolt.

Om de mythe van de ‘natural born speaker’ te ontmaskeren verzamel ik o.a. uitspraken van bekende sprekers over de praktische toewijding die hen succes bracht. Een groeiende collectie , dus neem af en toe opnieuw een kijkje.

Je zult zien dat goede sprekers niet zozeer geluk hebben, maar zich echt toeleggen op de welsprekendheid. Succesvol zijn als spreker wordt dus ook bepaald door techniek, niet alleen door talent.

Mijn beweegreden is de volgende: zodra je je realiseert dat JFK of Steve Jobs niets aan het toeval overlieten als het op presenteren aankwam, kun je afrekenen met het idee dat een gedegen voorbereiding tot gekunstelde speeches leidt. Het tegenovergestelde is waar. Juist door oefening kun je als spreker natuurlijk en oorspronkelijk zijn.

‘Een authentieke presentatie vergt veel inspanning’, schrijft Carmine Gallo in ‘Spreken als TED’. ‘Je graaft dieper in je eigen ziel dan je ooit hebt gedaan, kiest de juiste woorden die het beste weergeven hoe je je voelt  bij je onderwerp, je spreekt alle woorden uit om zo veel mogelijk impact te hebben en je zorgt ervoor dat je non-verbale communicatie overeenstemt met je boodschap. Oefen je niet, dan denk je aan een miljoen andere dingen in plaats van je te concentreren op je verhaal en het opbouwen van een emotionele band met je luisteraars.’

Je kunt je inderdaad afvragen in hoeverre je met al die afleidende gedachten werkelijk jezelf bent.

Verzameling
Uit ‘The Years of Lyndon Johnson’ van Robert Caro

JFK ontbreekt nooit in het rijtje beroemde sprekers. Toch was Kennedy aan het begin van zijn politieke carriere een matige spreker.

In 1946 stelde hij zich kandidaat voor het Congress in Boston. Zijn vroege speeches waren: “both mediocre and humorless . . . read from a prepared text with all the insecurity of a novice, in a voice “tensely high-pitched” and “with a quality of grave seriousness that masked his discomfort . . . He seemed to be just a trifle embarrassed on stage.” Once, afraid he was going to forget his speech, his sister Eunice mouthed the words at him from the audience as he spoke.’

Kennedy laat het er niet bij zitten en werkt 10 jaar lang aan zijn spreekkracht: een operazanger helpt hem zijn stem goed te gebruiken, met Hollywood-trainers ontwikkelt hij gepaste gebaren en een ontspannen houding, hij bestudeert de speeches van Churchill, verdiept zich in de retorica en oefent thuis met hardop voorlezen en toespraken repeteren.

De klassieken

Demosthenes (384-322 v. Chr.) was een Atheens redenaar, jurist en politicus. Isaeus was zijn eerste leraar in de welsprekendheid. Demosthenes verachtte overbodige praal en hield slechts de zaak zelf (en de waarheid) voor ogen. Hij was een redenaar; geen redekunstenaar. Maar hij kampte wel met de nadelen van een zwak gestel en een gebrekkig spraakorgaan.

Door een ijzeren wil en taai geduld overwon hij alles. Er werd gezegd, dat hij zijn spraakgebrek de baas werd door met kiezelstenen in zijn mond duidelijk te articuleren. Ook trainde hij de welluidendheid van zijn stem. Op het strand declameerde hij teksten en probeerde de bulderende zee te overstemmen. Deze anekdote schrijft Plutarchus in Demosthenes toe aan Demetrius van Phalerum. (Wikipedia)

Het vuistdikke handboek ‘De opleiding tot redenaar’ van de Romeinse retoricus Quintilianus (35-100), beslaat 12 delen praktische tips voor sprekers. De titel spreekt boekdelen: je bent geen redenaar; maar wordt er een door opleiding en oefening.  Quintilianus lardeert zijn lessen met geweldige voorbeelden van hoe tijdgenoten en historische redenaars zich toelegden op de ontwikkeling van hun spreekkracht. (Fragmenten volgen.)

Uit ‘Spreek als TED’ van Carmine Gallo

Toen Steve Jobs in 1984 de Macintosh lanceerde, was hij stijfjes en druk in de weer met papiertjes. In de jaren die volgden ontwikkelde hij zijn spreekkracht. Het is bekend dat Jobs langdurig oefende voor een presentatie: vele, vele uren gedurende vele, vele weken. Een Apple-productlancering van twintig minuten vergt totaal 250 uur werk van ontwerpers, technici, marketeers en de leidinggevenden die de uiteindelijke presentatie geven.

Als student vond Warren Buffet spreken in het openbaar zo eng dat hij zelfs niet verscheen bij de presentatiecursus waarvoor hij zich inschreef. Jaren later besloot hij zijn angst te overwinnen. Hij volgde een Dale Carnegie-cursus. Buffet vertelde dit in een interview toen hem werd gevraagd welke gewoonten hij bepalend vond voor zijn succes. Buffets antwoord: ‘Je moet in je leven in staat zijn om te communiceren. Scholen leggen daar eigenlijk te weinig nadruk op. Als je niet kunt communiceren en praten met andere mensen om je ideeen over te brengen, benut je niet je volledige potentieel.’

Indie-popster Amanda Palmer stak talloze uren voorbereidingstijd in haar 12 minuten durende TEDtalk ‘The Art of Asking’; één van de meest besproken presentaties in 2013. Vier maanden lang schreef en herschreef ze, oefende en testte ze haar verhaal. Palmer tikte een blog over het proces en bedankt daarin de 150 (!) mensen die haar input en advies gaven. Drie dagen voor de grote dag, maakte Palmer een schets van de presentatie op een lang stuk papier. Dat legde ze op de vloer als geheugensteun. Ze oefende de speech ook hardop in het vliegtuig, repeteerde via Skype met het TED-team en -natuurlijk- ook nog eens op het podium.

Richard Branson werd vroeger ziek van spanning voor een optreden. ‘Toen ik de microfoon pakte, kreeg ik een black-out. Ik stamelde wat onsamenhangende woorden en liep toen het podium af. Het was een van de meest vernederende momenten in mijn leven. Mijn gezicht werd net zo rood als het logo van Virgin.’ Branson legde zich erop toe een betere spreker te worden. Bleef eindeloos oefenen. ‘Goede sprekers hebben niet slechts geluk of talent – ze werken enorm hard.’

Dr. Jill Bolte Taylor gooit hoge ogen met haar presentatie over het puber-brein. Ze oefende haar speech maar liefst 200 keer. En werkte intensief aan de voorbereiding. De eerste stap in haar productieproces was alles wat haar te binnen schoot over het onderwerp op te schrijven. Dat deed ze op vakantie. Thuis werkte ze de aantekeningen uit en bracht de 25 pagina’s terug tot vijf kernpunten. Ze dacht na over de meest aantrekkelijke manier om haar kernboodschap over te brengen: in woorden en in beelden. En zo kwam ze op de vondst menselijke hersenen mee te nemen als attribuut. Ze maakte er een onuitwisbare indruk mee. Net als met haar TED-talk waarin ze vertelt over het herseninfarct dat haar bijna noodlottig werd.

Tony Robbins is een motivational speaker. Bij Oprah Winfrey liet Robbins zien welke rituelen hij volgt voor hij het toneel opgaat. Backstage brengt Robbins zich in de juiste toestand om vlammend te spreken: hij doet magische rituelen, zelfbevestiging en beweging. Hij springt op en neer, draait rondjes, maakt boksbewegingen, staat met zijn armen uitgestrekt en springt zelfs op een trampoline. Net als acteurs en dansers doet hij een warming-up.

Uit: ‘The Letters of Vita Sackville-West and Harold Nicolson, 1910-62′

Vita Sackville-West is beroemd om haar gedichten, Sissinghurst Gardens en onconventionele huwelijk met diplomaat Harold Nicolson. Ze bevrijdde zich van het victoriaanse keurslijf en sloeg haar vleugels uit met de Bloomsbury Group. Met het succes als schrijver kwamen de uitnodigingen om te spreken. Vita schoof de voorbereiding vaak op de lange baan en haar echtgenoot wijst haar per brief op het gevaar daarvan. Nicolson was Labour MP en volgde Churchills retorische hoogstandjes op de voet.

‘Ik maak me zorgen om je toespraak van morgen en dat je daar naartoe gaat op je optimistische manier denkend ‘Nee, ze verwachten geen speech van mij toch zeker?’ En als je dan aan tafel kletst met Lord Huppeldepup schrik je je een ongeluk als een ernstige stem ineens aankondigt: ‘Your royal highness, your excellenties, my lord duke, my lords, ladies and gentlemen, pray silence for Miss V. Sackville-West.’ Dan sta je op en voel je je heel lang en dan erg klein en met een stem die doet denken aan het mekkeren van een lam op een verre heuvel, begin je: ‘Your royal excellency, highness, my dord luke, my ladies, my gentlemen, spray silence please … nee ik bedoel … niet  gewend te spreken in het openbaar, kan ik niet helpen te denken wat te zeggen over de Engelse assiciatie, nee, ik bedoel de Angelse associotie, nee ik bedoel – nou ja, u weet wat ik bedoel. Dank u. Ik heb altijd gedacht … ik heb altijd gedacht … ik heb altijd gedacht … en ik denk vandaag …. vandaag dat … en ik zal altijd denken … altijd … altijd (…) dat de Engelse Association de meeste Engelse association is waarmee Engeland ooit geassocieerd is. Dank u. Hier laat ik het bij. Grote eer. Onverwacht genoegen. (…) Zou ik alstublieft weer mogen gaan zitten?’ Vita, dat volstaat natuurlijk helemaal niet. Je moet iets klaar hebben en het in je hoofd hebben zitten. En neem een stuk papier mee met aantekeningen om je te herinneren aan hoe je je zinnen wilt beginnen.’

Uit ‘De Churchill Factor’ van Boris Johnson (burgemeester van Londen)

Als er iets als een paal boven water staat is het dat Churchill de grootste spreker in het openbaar was van de afgelopen 100 jaar. De waarheid is dat hij op zijn eigen manier geniaal was, maar geen geboren redenaar. Hij kon niet improviseren zoals sommige sprekers dat kunnen; en als hij sprak kwamen de woorden beslist niet spontaan opwellen uit zijn hart. Churchills toespraken waren het resultaat van grote inspanning en grondige voorbereiding, waarbij zinnen werden verbeterd en in vorm gelikt.

Rond zijn 23e achtte hij zich een voldoende ervaren spreker om een essay te schrijven over het onderwerp, getiteld ‘De basis van de retorica’ (1897). Toch ging het op een goede dag fout. In 1904 sprak hij het Lagerhuis toe en stelt op het hoogtepunt van zijn betoog een retorische vraag: ‘Waar zijn de arbeiders?’. Het antwoord dat hij wil geven volgt niet. Er verlopen 3 volle minuten waarin hij stamelt en stil is. Hij kan zich met geen mogelijkheid herinneren wat hij wilde gaan zeggen. Ten slotte gaat hij zitten en slaat de handen voor zijn gezicht.

Johnson’s verklaring voor de mentale kortsluiting is dat Churchill uit het hoofd sprak. Hij had de redevoering als een papegaai woordelijk uit zijn hoofd geleerd. Na provocaties van de Tory’s vergat hij wat er volgde.

Die fout maakte Churchill nooit meer. Hij hield een stapel getypte, aan elkaar geniete aantekeningen bij de hand en schaamde zich in het geheel niet om daar zo nu en dan een blik op te werpen. Churchills redevoeringen leken door hun essentieel literaire karakter op die van Cicero: het waren gedeclameerde teksten.

Hij sprak tot mensen in een taal die onmiddellijk te begrijpen was. Harold Nicolson vatte het in 1943 samen: ‘De winnende formule was de combinatie van grote retorische bevlogenheid met plotselinge overgangen naar vertrouwde en gewone spreektaal. Van al zijn wapens is dit hetgeen dat nooit faalt.’

Churchill greep juist in de oorlogsjaren terug naar de grondregels uit zijn essay over retorica: het gebruik van korte woorden. ‘Het publiek wil het liefst korte, vertrouwde woorden die iedereen gebruikt. De korte woorden in een taal zijn meestal het oudst. Hun betekenis is dieper in het nationale karakter gesleten en ze appelleren sneller op het begrip dan woorden die recenter zijn geintroduceerd vanuit het Latijn en Grieks.’ En zo vervangt hij ‘liberalen’ door ‘free’ in de oorlogstoespraak op het moment van de overwinning.

Churchill las en beschikte over een mentale bibliotheek vol poezie. Hij had alle ritmen van het Engels in zijn geheugen geprent en een veronderstelde woordenschat van circa 65.000 woorden (de meeste mensen hebben de helft of een derde daarvan). Alleen de gepubliceerde toespraken van Churchill beslaan al 18 delen en 8.700 pagina’s. Hij had geen tekstschrijver.

Hij reeg in gedachten de juiste woorden aaneen, nam ze in de mond en sprak ze uit in een volgorde die zo naar de drukker kon. Dat vergt een buitengewone geestelijke inspanning. Natuurlijk was het die eindeloos herhaalde orale discipline waardoor hij niet alleen als schrijver maar ook als spreker steeds beter werd.

Churchill verdiepte zich dus in de retorica, dicteerde of schreef zijn spreekteksten zelf, woog woorden op een goudschaal en dronk niet alleen van champagne maar ook van literaire bronnen. Zo bleef hij zijn taalgevoel ontwikkelen en sijpelde ook de dichtkunst door in zijn beroemde redevoeringen. Voeden valt uiteraard ook onder voorbereiden.

***

 

 

Comments are closed.